Afschrijving bedrijfsmiddelen

Afschrijving bedrijfsmiddelen

De aanschafkosten van bedrijfsmiddelen mogen niet in één keer ten laste van de winst worden gebracht. Gedurende de levensduur wordt jaarlijks afgeschreven, rekening houdend met een restwaarde aan het einde van de levensduur. Er geldt een verplichte minimale afschrijvingsperiode. Voor goodwill bedraagt de minimale levensduur tien jaar, voor overige bedrijfsmiddelen vijf jaar. Bedrijfsmiddelen waarvan de aanschafkosten minder bedragen dan € 450,- mogen ineens ten laste van de winst worden gebracht.

Voor gebouwen geldt een beperking van de afschrijving. De boekwaarde van een gebouw mag niet dalen beneden de zogenoemde bodemwaarde. Voor gebouwen die worden verhuurd aan derden (beleggingspanden) vormt de WOZ-waarde de bodemwaarde. Voor gebouwen in eigen gebruik geldt 50% van de WOZ-waarde als bodemwaarde.

De beperking in afschrijving voor gebouwen geldt niet voor gebouwen die kwalificeren als milieu bedrijfsmiddel. De boekwaarde van deze gebouwen mag dalen beneden de bodem-waarde.

Lagere bedrijfswaarde

Wanneer door omstandigheden de bedrijfswaarde van een bedrijfsmiddel structureel lager is dan de boekwaarde mag het bedrijfsmiddel ineens ten laste van de winst worden afgewaardeerd tot die lagere bedrijfswaarde. Omstandigheden die ten tijde van het investeren in een bedrijfsmiddel al bekend waren geven geen aanleiding voor een afwaardering naar een lagere bedrijfswaarde.

Ga naar de bovenkant